Ik zag het en het raakte me.
Op weg van het station naar huis liepen een oma en twee kleine meisjes voor me op het zebrapad. Het ene meisje mankte en het andere wou haar dragen, kinds, zoals ze waren. En oma zeurde, want het licht zou snel weer rood worden. Ik was niet de enige die het tafereeltje aanschouwde. Ook de man op z’n fiets, die stond te wachten aan het stoplicht, zag het. Hij kéék. En plotseling huilde hij. Het ene moment nam hij het alledaagse gebeuren waar, het andere moment lag hij met z’n hoofd op z’n arm, die op het stuur leunde. Hij huilde echt. Had het iets te maken met het lege kinderstoeltje achterop z’n fiets? Het deed me pijn. Maar ik liep door, twee, drie keer achterom kijkend. Toen ik me bedacht dat ik íets had moeten doen: iets zeggen, vragen, … reed hij door.
Ik hoop dat hij nu niet meer huilt. Of dat hij op een plaats is waar hij kan uithuilen.
Het blijft me bij…
‘k heb er ook een krop van in de keel
kippenvel…
gr. Reinie
Had ik ook toen ik het zag…
Hoe geschift is dit?
Zot, zot, zot!